Wednesday, 9 March 2011

Was ik nog, nog met mijnen hamer, was ik nog met geweld op mijn aambeld...

Hopelijk zullen we binnenkort weten of de nieuwe regeringsvormingspogingen van het Beekje in iets constructiefs zullen uitmonden: vindt hij het warm water opnieuw uit, wordt het water naar de zee dragen, of zal de kruik zo lang te water zijn gegaan dat ze uiteindelijk toch zal breken? In ieder geval voer genoeg voor dat andere zottekesspel: Aalst carnaval ging uit en bijna naar af omwille van enkele grappen en grollen (waaronder een lied over de beruchte parachutemoord) die mogelijk in het verkeerde keelgat zouden schieten, ware het niet dat die andere zotskappen – enkele ministers-van-de-wie-weet-nog-hoe-lang-lopende-zaken – zich ook achter de originele aard en het karakter van Oilsjt carnaval schaarden.

Meer zelfs, het Schauvliegje, toch niet altijd een culturele hoogvlieger, mocht aan de stad van mijn halve roots aan de vooravond van het carnaval een certificaat toekennen van de Unesco, dat Aalst Carnaval erkent als “Immaterieel Cultureel Erfgoed van de Mensheid”. Van hoeveel meer erkenning van de Vlaamse aard kan Bart De Wever nog dromen?

En, kondigt de culturele minister aan, “Ik wil in mijn langetermijnbeleid kansen geven aan erfgoedgemeenschappen opdat zij ons immaterieel cultureel erfgoed (tradities, gewoonten, kennis…) kunnen koesteren en verder doorgeven.” Ziet u de bui al hangen? Kijkt u maar eens even op de “Intangible Heritage List” van Unesco. Nog even en als alle jaarmarkten, pensenkermissen en processies zijn geregistreerd, wordt België door de Unesco erkend als het land waarvoor het nu toch al geruime tijd bekend staat in the greater world area: het land van frieten, bier en chocolade. Als we nog langer met de regering-van-stilaan-uitlopende-zaken blijven zitten, laat het Schauvliegje straks nog de Vlaamse Opera en het Ballet van Vlaanderen aantreden op Oilsjt Carnaval.

Om maar te zwijgen van de naijver en de kinnesinne die bij de rivaliserende buren gaat ontstaan; net nu Dendermonde met haar Ros Beiaard een stapje voor had op de Ajoinen, werden ze nu weer ingehaald. Hoewel, Dendermonde haalde deze week dan weer Marcel Vanthilts “Villa Vanthilt” binnen voor vijf weken in juni. Nà, dat ze daar maar eens achter komen, die Ajoinen...

Scherp de hellebaarden en zwaai die goedendag! Er staan ons nog spannende tijden te wachten in dit België van de 21ste eeuw!

Friday, 4 March 2011

En zolang als de lepel in de rijstpap staat...

Aan beide kanten van de taalgrens beweren de leden van de stam der Belgae dat ze al lang niets meer gemeen hebben, maar het dient gezegd dat ze toch verbonden zijn door één gegeven: dat het bijzonder vreemde wezens zijn die tamelijk onverschillig, zelfs flegmatisch blijven bij al wat er in hun gemeenschappelijke land gebeurt. Is het net doordat we al eeuwen onder de voet zijn gelopen door andere gemeenschappen die vonden dat ze hier iets hadden laten liggen, of was het voorgaande ook net de aanleiding daarvoor?

Na het emotieloos ondergaan van het politieke gekibbel en geknibbel, en het voortdurend uitblijven van een regering, dat in het beste geval kan rekenen op wat frieten- of baardenprotest, blijkt dat er nu om de haverklap ook nog andere dingen opduiken die onder normale omstandigheden meer zouden uitlokken dan wat wenkbrauwgefrons, ja zelfs eigenlijk wel redenen zouden geven om in het Warandepark 180 jaar na datum ook eens een “Tahrirke” te doen, vooral als men uiteindelijk alles bij elkaar optelt.

Het hele schandaal rond het grootschalige misbruik in de kerk wordt stilaan naar de nieuwsarchieven verwezen, sterft een stille dood, verdwijnt alsnog onder de mat, en o.a. Roger Vangheluwe gaat klaarblijkelijk een rustige oude dag tegemoet, al dan niet met een persoonlijke delivery vanuit West-Vleteren.

In diverse moord- en andere criminele onderzoeken wordt er dikwerf geblunderd en geknoeid, in dergelijke mate zelfs dat schuldige criminelen nog een paar mensen kunnen omleggen alvorens ze eindelijk worden gepakt, en dat we uiteindelijk niet meer weten of de gepakte criminelen achter slot en grendel dan wel de echte schuldigen zijn, of niet. In het ene geval is er geen parachutetouwtje aan vast te knopen; in het andere geval is het een verroest mes dat aan twee kanten snijdt.

Dat er af en toe wat lijken – of baby’s – uit de koninklijke kast vallen moeten we er dan op de koop toe nog bijnemen. ’s Lands opperhoofd-bij-erfrecht van midden vorige eeuw voelde het onder de broeksriem zo erg kriebelen, dat er meer dan één vrouw in zijn nabije omgeving werd genaaid nadat ze was bedwelmd door zijn helblauwe kijkers. Naar verluidt was hij, naast het rijden van een scheve schaats, bijzonder bedreven in de kruiskessteek.

Maar wat alles slaat (voor deze week althans), is het feit dat de baas van de politie met zijn professionele harem naar Qatar trok, op een vlucht in business class, om te gaan lobbyen voor een job die goed zou staan op zíjn persoonlijk CV, zich daarvoor voorzag van exclusieve Delvaux-bagage op kosten van de staat, en ter plaatse dan nog eens een receptie organiseerde voor Janneke en Mieke, waarbij hij eveneens door de belastingbetaler bekostigde gadgets uitdeelde, dit alles dus voor zijn persoonlijke carrière. En wat zegt de politievakbond? Dat we content mogen zijn dat hij het nog bescheiden heeft gehouden, want hij had nog veel meer kunnen uitgeven, zeker als je vergelijkt met wat de andere kandidaten hebben gespendeerd; hij zou moeten worden geprezen voor zijn ‘spaarzaamheid’! De job kreeg hij uiteraard niet; de valiezen staan nu ongebruikt, maar “ter beschikking van iedereen binnen de politie”, stof te vangen; en wat zijn harem ter plaatse deed, is evenmin duidelijk. Wellicht doodden zij de tijd met de kruiskessteek.

En wat doet den Belg? Die vloekt in koeterwaals of plat Vlaams, haalt zijn schouders op, haast zich naar huis, naar Batibouw (om klinkerkes voor zijnen terras, want de zon is in aantocht!), of op krokusvakantie. En we dronken een glas, en we pisten ne plas, en alles bleef gelijk het was...

Tuesday, 1 March 2011

Under the sea

Wat is er beter om er even tussenuit te zijn dan ergens wat te gaan uitwaaien voor een weekend? Wij namen dat tamelijk letterlijk, maar daarover later meer. Omdat de keuze tussen het gebruikelijke bos (Ardennen) en zee (de kust dus) moeilijk was, en we eigenlijk wel wat meer wilden dan over en weer wandelen op een dijk met af en toe een pitstop voor een pannenkoek of een trappist, besloten we om naar ons bovenste beste buurland te trekken. Net over de grens, op amper een dik anderhalf uur rijden – als het verkeer op de Antwerpse ring tenminste mee wil, anders is het een dikke twee uur – ligt namelijk Walcheren, één van de (schier)eilandjes van Zeeland. Als de Belgen het een beetje slim hadden gespeeld had dit België kunnen zijn, en dan hadden ze nu niet zo’n gezever over het al of niet uitdiepen van de Schelde, maar dat is dan weer een ander verhaal.

In de buurt van Domburg en Oostkapelle ligt het natuurgebied de Manteling (het bos), vlak achter de duinen en het strand (de zee), dus voor wie niet kan kiezen is dit de gulden middenweg. Uiteraard geen horecadijken die zee, strand en duin van hun natuurlijke aard ontdoen; hier worden dijken nog echt gebruikt waar ze voor bestemd waren, namelijk het tegenhouden van het water, en daar kunnen ze er ter plaatse duidelijk wat van. De horecagelegenheden bevinden zich hier her en der verspreid in de pittoreske dorpjes die nog grotendeels hun eigenheid hebben bewaard, terwijl op het natuurlijke strand enkel hier en daar wordt herinnerd aan de menselijke aanwezigheid door strandpaviljoenen die in de zomer natjes en droogjes moeten verzorgen (en in het winterseizoen dan wel weer maar sporadisch open zijn, of helemaal niet).

Onderdak vonden we in de al even pittoreske Villa Magnolia, een bed & breakfast / boetiekhotel in het voormalige 100-jaar oude buitenverblijf van een adellijke familie, dat kort na de tweede wereldoorlog ook nog even dienst had gedaan als tuinbouwschool. Dat laatste liet zijn sporen nog na in de prachtige tuin met hoekjes en kantjes waar duidelijk over nagedacht was, en waarin de tuinman met merkelijk meer goesting en kennis van zaken aan het werk ging dan wij bij ons thuis. We kregen de meest prominente kamer met balkon in het midden van het huis die uitzag over de inrit van het hotel, en die je in de zomer de garantie op een voormiddag zon biedt (bij beschikbaarheid van voornoemde, uiteraard). Een bijzonder vriendelijke ontvangst door een aardige jongeman, die ’s morgens ook garant stond voor het goedgevulde ontbijtbuffet in de orangerie in de tuin, en ervoor zorgde dat geen van de gasten wat tekort kwamen.

Na het eerste avondmaal in een meer dan behoorlijk plaatselijk Italiaans restaurant Piccolo Mondo (beperkte kaart en dus alles kraakvers), trokken we er de volgende morgen op uit om te gaan “uitwaaien” op het strand. Het werd niet alleen uitwaaien; “uitregenen” ware een betere term geweest. We waren net op weg door het bos richting strand, toen de matige motregen steeds indringender vormen begon aan te nemen. In ons kinderlijk en recreatief enthousiasme over het wandelen en het uitwaaien hadden we het natuurlijk niet nodig gevonden om ons te voorzien van een paraplu; dat staat niet alleen oncool, maar is bovendien bij hevige wind op het strand niet bepaald praktisch. Waar we echter niet op voorzien waren, was dat onze jassen blijkbaar al een tijdje geen busje “imperméable” hadden gezien, en veeleer bestemd waren voor hevige koude dan voor striemende regen. Bovendien sijpelde één en ander door op de onderliggende jeans, dus korte tijd later waren we gereduceerd tot twee hoopjes ellende die eruitzagen als verzopen kluten. Gelukkig bracht een redelijk droge en warm aanvoelende wind enig soelaas, en konden we toch nog onder gunstige omstandigheden een strandwandeling maken. Terug in de Manteling namen de bewolking en de neerslag echter terug toe, waardoor we toch weer doornat in de Villa Magnolia toekwamen.

Na de droogrust (want extra jassen hadden we uiteraard ook niet bij op zo’n kort weekend) – gelukkig bleef de verwarming de hele dag aanstaan in de kamers, en waren er ook de nodige voorzieningen voor warme dranken – konden we op zoek naar enige versterking van onze innerlijke mens, om ons verzopen temperament terug wat op te krikken. Omwille van de regen en de plaatselijke schoolvakantie (die ongetwijfeld garant stond voor een grote toeloop) lieten we het Terra Maris-bezoekerscentrum voorlopig links liggen, en deden dan maar een toertje in Domburg, dat wat meer horeca bood dan het stille Oostkapelle, waar we ons bij de lunch dan maar verdiepten in onder meer de geschiedenis van Hertog Jan.

Tijd voor het grotere werk dan. Wat de Zeelanders na eeuwen hadden bereikt om het water buiten te houden moest van dichtbij eens worden bekeken, zeker als het op Discovery Channel een aparte topic krijgt onder de noemer “Extreme Engineering”, en het zomaar voor het bekijken ligt op nog geen twee uur rijden van thuis. Jammer dat het voormalige “werkeiland” Neeltje Jans met zijn recreatiepark nu vooral het middelpunt is van deze grote ingenieuze werken, want als we de commentaren van de (vooral buitenlandse) bezoekers moeten geloven is het niet echt de moeite waard, zelfs niet voor kinderen. Wij namen dus vooral eerder uitgebreid de tijd om tussen twee regenvlagen door onze ogen eens goed de kost te geven aan de rand van de stormvloedkering; voor een uitleg zouden we altijd later nog wel eens kunnen terugkomen. Na een korte rondrit voor de verdere verkenning van de kop van Walcheren en nog maar eens een diner in een plaatselijk restaurant was de nachtrust in de kussens van onze Villa zeer welgekomen.

De zondagochtend kondigde zich heel wat veelbelovender aan: de zeewind had de wolken uit de weg geruimd en er stond ons een stralende dag te wachten. We droomden van ontbijt op het balkon, maar kozen voor de veilige warmte van de orangerie en namen daarna afscheid van de Villa Magnolia, met de vage belofte om nog een keertje terug te komen.

Onze eerste zondagsstop was Westkapelle, waar we voor een herkansing van de vorige dag gingen op de immense dijk. Wat weinigen weten, is dat de geallieerden in 1944 ook hier een invasie uitvoerden om Zeeland en bij uitbreiding Nederland te bevrijden van de Duitse bezetter. Daartoe werd echter eerst de bestaande zeedijk gebombardeerd om het eiland onder water te zetten, om zo de bevrijding te bespoedigen. Het oogt tegenwoordig allemaal wat minder spectaculair dan de Normandische stranden, maar de nieuwe grote zeedijk is wel ideaal voor wandelingen dicht bij de branding.

We trokken verder naar Vlissingen om een bezoek te brengen aan het MuZEEum; een klein maar leuk museum over en rond scheepvaart in Zeeland, met momenteel een tijdelijke tentoonstelling rond de Middelburgse kunstenaar Han Reijnhout. Voor de rest bleek Vlissingen niet veel soeps; naast het MuZEEum bleek alleen een wandeling op de Oosterscheldedijk het hoogtepunt van de stad. Sinds de opening van de Westerscheldetunnel in 2003 en het beperken van de vroegere veerdienst uit Breskens tot voetgangers en fietsers, schijnt Vlissingen veel van zijn passage en daarmee ook pluimen verloren te zijn. Hopelijk voor de stad is het in het zomerseizoen anders, maar wij besloten dat we genoeg gezien hadden en begaven ons maar terug in zuid-oostelijke richting.

Echter niet zonder even om te rijden langs het illustere Yerseke, in Vlaanderen vanaf de zomermaanden vooral bekend voor zijn schier onuitputtelijke aanvoer van mosselen in alle formaten. Maar Zeelands Roem is er ook gekomen voor de kweek van oesters en zelfs voor haar Oosterscheldekreeft. Omwille van het late uur beperkte ons kortstondig bezoek zich tot een culinaire afsluiter van het weekend, en we lieten ons helemaal gaan in De Branding. Toch jammer, dat de Belgen hier niet meer moeite voor gedaan hebben...