Monday, 21 September 2015

Why do you build me up, Buttercup

Dat het solliciteren in this day and age niet altijd van een leien dakje loopt, was al wel duidelijk uit mijn eerste hernieuwde ervaringen met de arbeidsmarkt. Ten eerste is die sociale hangmat toch niet zo praktisch; het typen verloopt niet zo vlot tijdens dat gewiebel en bovendien kletst de inhoud van mijn cocktail regelmatig op mijn klavier.

Maar dat is niet de voornaamste reden.

Zelfs eerder, nog actief in een job en op zoek naar meer uitdagend werk, was solliciteren vaak niet dankzij, maar ondanks de rekruteerder, nochtans mensen die uit hoofde van hun werkgever zouden moeten zorgen voor de best mogelijke/passende kandidaat die het bedrijf kan vinden voor het vervullen van een functie. Vaak bots je daar, om redenen die niet altijd even duidelijk zijn, op individuen die je niet echt met open armen verwelkomen, maar schijnbaar klaar zitten om je pootje te lappen nog voor je de eerste koffie aan je lippen hebt gezet. Als die koffie er al komt, want zelfs dat basic stukje beleefdheid - een bezoeker iets te drinken aanbieden, al is het maar een slokje water - blijkt gaandeweg met de rest van de welgemanierde opvoeding uit onze samenleving weg te lekken: ik heb al menig jobinterview anderhalf uur lang met gortdroge krakende keel mijn relaas mogen doen tegenover iemand die verder ongestoord doet alsof hij/zij het allemaal niet merkt, in sommige gevallen zelf van zijn/haar kop slurpend.

Het is altijd weer een verrassing wie nu weer je pad gaat kruisen en de vraag of het gaat eindigen in een portie "grillen", alsof je alles wat je komt vertellen daar ter plaatse uit je duim zit te zuigen, of in een gewoon gemoedelijk gesprek dat daadwerkelijk peilt naar je vaardigheden en persoonlijke interesses. Terwijl je zelf met goede moed, veel interesse, helemaal ingewerkt in de mission & vision statements van het bedrijf, klaar om de kleur van je desktop en het design van je screensaver te kiezen, naar het sollicitatiegesprek trekt, je persoonlijke beker met “world’s best co-worker” alvast klaar in je tas, bots je daar soms op de Junior Human Resources Office & Administration Assistant die klaarblijkelijk is belast met de rekrutering van mensen voor functies waarvoor nochtans een waslijst aan vaardigheden, ervaring en/of (gezond) verstand was gevraagd, dingen waarvan de interviewer in de verste verte nog nooit heeft gehoord.


Afgezien van het feit dat er dan vaak een rabiate ont-, mis- en gebrek aan onderkenning optreedt, wordt doorgaans meteen al je moeite, interesse voor en inleving in het bedrijf in één klap weggevaagd. Voor wie bezig is met communicatie, PR, reputatie, menselijke relaties en het “voorkomen” (nadruk op de eerste lettergreep & zelfstandig naamwoord - althans voorlopig nog) van organisaties, voelt dat soort sollicitatiegesprekken aan als een druppel azijn op je netvlies of het lostrekken van een nijnagel. Het Wadedde gij allemoal gedoan?” dient, vergezeld van een zucht, voor het zoveelste ongeïnteresseerd aanhoren van je beroepsgeschiedenis. Voor zover het, nog erger, niet wordt ingeleid door een "Wie ben jij?" - of, nóg een graad erger: "Wie is Ann?" - alsof je hele persoonlijkheid wordt gedefinieerd en afgelijnd door de bezigheden waar je tot dan toe om den brode mee bezig bent geweest. Die categorie interviewers gaat je ook te pas en vooral te onpas abrupt onderbreken om Carmen Waterslaeghersgewijs uit te krijsen “En gij zij zomaar terug gaan studeeeeeere? Voor wat da???”, mét begeleiding van een onvervalste kokhalsbeweging, als was studeren iets dat clandestien in de krochten van de maatschappij wordt gedaan. Hoewel je uitweidt en bepaalde zaken nader wil verklaren, bemerk je ineens dat er eigenlijk niet wordt geluisterd, nog veel minder genoteerd en dat er gewoon een obligaat lijstje wordt afgewerkt en afgevinkt. 

Soms kom je bij iemand terecht waarvan je denkt dat hij/zij de ideale rekruteerder is. De persoon voldoet aan alle geplogenheden, is vriendelijk, luistert echt en stelt vragen, geeft je bovendien iets te drinken om je keel eens te kunnen schrapen en - dat lijken de beste - garandeert met de hand op het hart dat je zéker -zéker!- iets zult vernemen over het resultaat, ook al zou dat dan negatief zijn, maar dan zou je een uitgebreide verklaring krijgen van waarom die keuze werd gemaakt, zodat je daar tenminste zelf iets aan hebt, "want, mevrouw, wij maken er werk van om alle kandidaten te vertellen waar ze staan, zodat ze er zelf beter van worden".

Maar vaak hoor je niets, hoewel je nochtans dacht – terwijl de twijfel toeneemt (Heb ik die master nu behaald, of was dat maar een droom en heb ik hem toch onder het deksel van een pot Nutella gevonden?) – dat je aan alle punten van de vereisten voldeed. Je stuurt nog een voor jouw doen veel te kruiperig mailtje waarin je heel voorzichtig, beleefd, op kousenvoeten – kwestie van op voorhand al geen barsten in het glazuur te brengen – informeert of ze alstublieft, als het hun welwillendheid belieft en het vooral niet ongelegen komt, een seconde de tijd zouden kunnen vinden om je te willen informeren over de status van de zoveel weken eerder door jou toegestuurde of volbrachte sollicitatie?

Gladde jongens heb je natuurlijk niet alleen in de sales; ze zitten hoe langer hoe meer ook in de rekrutering. En wat dacht je? Uiteraard hoor je er niks meer van, ook niet als je na 2 weken een mailtje stuurt om te informeren naar het resultaat ("want het zou even kunnen duren, we hebben héél veel werk!" - Oh ja, is rekruteren dan niet je werk?), en zelfs niet - al laat ik het meestal zo ver niet komen - als je later nog eens informeert naar dat mailtje. 

Het kan ook zijn dat je alleen wordt opgebeld. Ofwel worden jou, gedurende welgeteld 83 seconden, een paar vraagjes voorgeschoteld die van een dergelijke oppervlakkigheid zijn dat zelfs Dag Allemaal er geen interview uit zou kunnen puren, waarna je als antwoord krijgt dat je "op basis van ons telefonisch onderhoud niet werd weerhouden voor de functie". Welk telefonisch onderhoud? Of je bent - uiteraard net op dat ogenblik - bezig met een ander gesprek en krijgt een voicemail van een duidelijk zenuwachtige rekruteerder die je vraagt om hem/haar nu - nu! NU!! METEEN!! SOFORT!! - terug te bellen. Tegen de tijd dat je uit je andere gesprek bent en terugbelt krijg je natuurlijk zelf de voicemail en laat je een uiterst beleefde boodschap dat je getracht hebt terug te bellen en dat je weer bereikbaar bent. Waarna je nog eens terugbelt. En nog eens. En nog eens. En nog een boodschapje laat. Maar de zenuwachtige rekruteerder krijg je niet meer aan de lijn. En je hoort er verder ook niets meer van. 

Als het goed meevalt krijg je uiteindelijk een antwoord - Een antwoord! Een antwoord!! - dat de sollicitatie ertussenuit is gegooid “omdat je niet voldeed” (dus toch onder het deksel van de Nutella?), dat ze nog geen tijd hebben gehad om ze door te nemen “omdat ze andere dingen te doen hadden” (weet ik meteen wat mijn toegevoegde waarde aan dit bedrijf zou zijn, en vice versa), dat ze *plots* intern is ingevuld en dat ze daar niets aan kunnen doen (“hè, wat heb ik nou aan m’n fiets hangen!?” – Noord-Nederlandse uitdrukking), de opsomming van een hele resem redenen en excuses waarom je niet voldeed (terwijl je cv en brief net het tegenovergestelde aantonen), of het inroepen van de schuld van derden ("Zij hebben het beslist, niet ik!" I know nothing!).

Maar in een schrijnende 20% van de gevallen volgt er helemaal geen antwoord en blijkt je sollicitatie verzwolgen door een zwart gat. Gewoonlijk gaan er in deze gevallen een hele resem “wat als?”-scenario’s door mijn hoofd van situaties of contexten waarin een dergelijk gedrag absoluut niet zou geaccepteerd of getolereerd worden en zou gevolgd worden door witte marsen, het gooien van taarten, een opstelling aan de schandpaal of andere publiekelijke acties, maar berust meestal schouderophalend, met een hoop opgebouwde walging voor zowel de organisatie in kwestie als haar dienst rekrutering en tegenzin om naar de volgende vacature over te gaan. De zweer die cynisme heet bouwt zich langzaamaan op onder mijn huid, en ik kan alleen maar herhalen:


Het euvel voltrekt zich echter niet altijd op het ingangsniveau. Soms – dat is natuurlijk nog het eerlijkste – mag je meteen voor testen komen (weliswaar samen met 40 anderen), waar je soms opvallend ook doorgeraakt (danku, Nutella!) en dan mag je terugkomen om de persoon te ontmoeten met wie je verondersteld wordt te gaan samenwerken, omdat "die zich persoonlijk voor jouw interview engageert!". Natuurlijk maak je je, afgaand op de inhoud van de job, allerlei voorstellingen van wat een interessante persoonlijkheid dit vermoedelijk is (we zijn wat we doen, right?), hoe je met deze persoon perfect zal kunnen samenwerken, initiatieven gaat nemen, grootse dingen bewerkstelligen... Tot je de persoon in kwestie eindelijk in levende lijve ontmoet voor het gesprek.


Helaas voor jou schijnt die zich blijkbaar op een heel andere plaats in het leven te bevinden dan jijzelf, lichtjaren verwijderd van jouw leefwereld, of van de wereld tout court  


en de meest vreemde, niet terzake doende vragen te stellen ("Die persoon in China waar je toen voor die conferentie vijf jaar geleden voor je vorige werk een e-mail aan gestuurd hebt, heb je daar nog contacten van en zou je die nu kunnen opbellen?" Euh...?), waardoor de beoogde en geanticipeerde connectie niet helemaal verloopt zoals verwacht. Om het zacht uit te drukken.

Al deze dingen zijn niet bepaald bevorderlijk voor de communicatie over de sollicitatiecommunicatie. Behalve het feit dat je je telkens opnieuw afvraagt hoe sommige van deze mensen op hun (toch wel bezoldigde?) plaatsen zijn geraakt, verloopt het gesprek op een dergelijke ongemakkelijke manier – uiteraard ten nadele van jezelf – dat je zou willen dat je jezelf dan en daar onzichtbaar zou kunnen maken.

Uiteraard zijn er heel wat rekruteerders die hun job ter harte nemen, te goeder trouw uitvoeren, en die mensen kan ik dan ook alleen maar prijzen voor hun rechtlijnigheid, inzicht, openheid, bereidwilligheid, mensenkennis, beleefdheid en vooral hun – het klinkt als iets uit een vorig leven – beroepseer. 

Wat verdere avonturen betreft, moet ik misschien maar eens beginnen denken aan een eigen Legendarium.



Friday, 11 September 2015

En langs het tuinpad van mijn vader, zag ik de hoge bomen staan

Mijn vader werkte bij een verzekeringsmaatschappij annex spaarkas: RVS Verzekeringen, een van oorsprong Nederlandse maatschappij, bij ons in de volksmond gemeenzaam “’t Parapluuken” genoemd. Als ik bedenk hoe zijn loopbaan gelopen is, dan valt het mij op dat hij er constant aan werkte om zich te verbeteren en iets te kunnen doen dat hem werkelijk interesseerde, en vooral in functie van de organisatie die hij diende. Aanvankelijk zonder hogere opleiding, maar gaandeweg via avondonderwijs en zelfstudie schopte hij het bij de verzekeringsmaatschappij – die hem een kans gaf – tot inspecteur, thans wellicht “middle management” genoemd, al waren er destijds nog niet zoveel tussen- en bovenlagen zoals nu met de verregaande versnippering en hyperspecialisatie waarin geen kat haar jongen nog terugvindt. Het bedrijf had hem dus een kans gegeven, ondanks dat hij helemaal niet de opleiding, de achtergrond of de ervaring had om de job te doen. Maar op basis van wat men vandaag “skills & competences” noemt werd hij daarin behoorlijk succesvol en volstond één loon ruimschoots om drie kinderen groot te brengen, een eigen huis met tuin te kopen en daarnaast met de familie twee keer per jaar op vakantie te gaan naar het buitenland – wat in de jaren ’60 & ’70 toch een vrij uitzonderlijke aangelegenheid was.

Toen waren de mensen natuurlijk ook nog niet zo wispelturig dat ze om de haverklap van verzekering veranderden bij de hoogste bieder, de hardste roeper of wat vandaag op hun smartphone verschijnt als the new best deal. Vandaar ook dat ’t Parapluuken voor heel wat klanten uitgroeide tot een huis van vertrouwen, een baken in tijden van onzekerheid en rampspoed, iets waar mijn vader ook toe bijdroeg door regelmatig persoonlijk bij mensen aan te lopen, ook al hadden ze dan geen nieuwe verzekering van doen of even geen spaargeld om op hun boekje te zetten. Een persoonlijke connectie en service die mensen heel erg apprecieerden en soms uitdraaide op uitnodigingen voor feesten, huwelijken en begrafenissen, maar toen vooral dagelijkse kost.

In de jaren ’80 sprong RVS op de bandwagon van de vernieuwing. Het vertrouwelijke logo van het oudere koppel met hun hond, in 1905 ontworpen door Tjeerd Bottema, moest plots gemoderniseerd en omgeturnd in een soort elektrisch blauw, gevolgd door een grootscheepse marketingcampagne, die maakt dat mijn moeder zowat dertig jaar later nog steeds stapeltjes notitieblokjes met het spuuglelijke blauwe logo heeft liggen, terwijl van het bedrijf al lang geen sprake meer was. (De emaillen reclamepanelen met het originele logo, daarentegen, vangen nog steeds veel geld op online veilingen.) Die modernisering was niet meer of niet minder dan de kroniek van een aangekondigde dood. De wet van het zakencijfer en vooral de opbrengsten voor de aandeelhouders dicteerden de nieuwe politiek van het bedrijf: de boeken dienden opgesmukt, het personeel werd als een kost gezien, en de oudere bovenlaag werd afgeroomd door middel van het brugpensioen, echter zeer tegen hun eigen zin, want de meeste wilden gewoon blijven werken. Omdat het werk niet hun leven was, maar hun leven het werk maakte.

Wat ook werd afgeroomd, was de persoonlijke service. “Blijkbaar leefden ze verkeerd” orakelde Wim Sonnevelt al, en vanaf dan zouden de talloze klanten terecht kunnen bij een anonieme bediende die hen telefonisch toesprak vanuit Brussel, zonder wetenschap van of interesse in hun onbesproken parcours, hun spaarzame levensstijl, de gehandicapte zoon, de moeilijke oude tante of de lastige buurman. Vandaag is de bediende vervangen door de e-mail of het online vraagformulier, kwestie van niet persoonlijk te worden opgezadeld met de lasten, maar enkel de lusten (of de opbrengst).

Mijn vader bleef de contacten en het spaarkasje verder onderhouden als zelfstandige in bijberoep, voor zover dat naast het brugpensioen was toegelaten. Het stelde m.a.w. niets voor als bron van inkomsten, en hij reed meer op aan benzine om bij de mensen aan te lopen, dan dat hij er daadwerkelijk financieel aan overhield. Maar daar was het hem dan eigenlijk ook helemaal niet om te doen. Toen ging het er nog niet om het meeste, dikste, langste of grootste te hebben, maar wel om mensen bij te staan.

Vandaag zou hij niet meer aan de bak komen en een dergelijk parcours niet meer kunnen afleggen. Bedrijven stellen een vacature op met een reeks vereisten waaraan een werknemer moet voldoen, een reeks items op een checklist die moeten worden aangevinkt. De aangeworvene moet à la carte passen en meteen kunnen meedraaien in het geheel, als een radertje of een bout die wordt vervangen in het grote raderwerk. Er is nauwelijks tot geen plaats voor aparte competenties, interesses, veelzijdigheid, generalisatie of quirkiness, laat staan om je in te werken: stante pede geld opbrengen is de boodschap. Organisaties hebben in de loop der tijd bij de aanwerving steeds minder aandacht gekregen voor het individu en de waardevolle bijdrage die dat individu haar met zijn of haar eigenheid zou kunnen bijbrengen. Daar is de aandeelhouder namelijk niet in geïnteresseerd.

Hoe is het RVS Verzekeringen vergaan? Ze zijn overgegaan in een aantal andere verzekeringsmaatschappijen, terwijl het merk in Nederland nog een tijd apart bleef bestaan, om uiteindelijk in 2009 ook daar de handdoek in de ring te gooien, terwijl het één van de oudste verzekeringsmaatschappijen was. Vandaag zijn er organisaties die komen en gaan, de laatste 30 jaar in toenemende mate gedreven door de waan en de aandeelhouder van de dag die, als hij het beu wordt, zijn geld weer ophaalt en in een nieuw stuk speelgoed steekt dat meer opbrengt, zolang de homo consumens maar blijft verbruiken.

Alleen stapelen de absurditeiten, de afstand en de non-service in dit klimaat zich steeds meer op, iets wat de mondige, veeleisende en digitaal actieve homo consumens ook niet meer pikt. Daarnaast zijn de sollicitanten ook stakeholders die het gedrag van de organisaties niet zonder meer verdragen. Waarom zou je als sollicitant het behoud van een organisatie voor ogen houden, als de organisatie niet eens haar zelfbehoud voor ogen houdt en nog veel minder in jouw persoonlijk welzijn is geïnteresseerd?


Organisaties die dit doorhebben en zichzelf in vraag stellen gaan stilaan over tot een mentaliteitswijziging, met de bedoeling de tussenlagen die de communicatie obstrueren te verwijderen en weer dichter bij de klant te komen, om duurzamer te worden op alle vlakken. Op die manier komt er misschien ook terug een menselijker aanwervingsbeleid, mét aandacht voor eigen(zinnig)heid. De weg is nog lang, maar de bomen komen in de verte geleidelijk terug in zicht.


Tuesday, 8 September 2015

I will sing, sing a new song

Nu ik weer tot de horde der sollicitanten ben toegetreden maak ik elke dag avonturen mee die als defibrillator voor deze flatliner van een blog kunnen dienen. Voor de argeloze lezer en actieve professional die nog niet of niet meer in deze biotoop actief is, is het misschien een eye-opener en een bron van tips & tricks; voor de argwanende scepticus op de simplistische roze wolk gaat er misschien een hele nieuwe wereld open die tot verhelderende inzichten kan leiden (edoch, met het risico van eerstgenoemde wolk te donderen). Klaarblijkelijk zijn veel generatiegenoten het onderwerp van praktijken en handelingen die menigeen van ons tot wenkbrauwgefrons aanzetten, en dat louter en alleen omdat ze actief in beweging willen zijn op de arbeidsmarkt, al dan niet om een nieuwe richting uit gaan. En daarbij kan ik met stelligheid verzekeren: 40 is het nieuwe 50. Hoewel je nog meer dan een halve loopbaan voor de boeg hebt - waarvan het einde steeds een beetje verder voor je wordt uitgeduwd naargelang de tijd verstrijkt - word je door een aanzienlijk deel van de recruteerders bejegend alsof je al een oudemensengeur verspreidt iedere keer je een beetje te hevig gesticuleert om je toch al respectabele loopbaan kracht bij te zetten.

Vooreerst dien ik wellicht als extra informatie te vermelden dat ik zonet een nieuw masterdiploma behaalde. Inderdaad, om een nieuwe richting uit te kunnen gaan heb ik mij een heel academiejaar op de harde banken van de KU Leuven tussen de twintigers geplaatst, verwonderde blikken, opgetrokken wenkbrauwen en soms verschrikte gezichten trotserend (als ik aanstalten maakte om me naast een twenty-something-medestudent te installeren, wat hen uiteraard totally uncool maakte) om, voortbouwend op eerdere studies en wat ik al vergaard had als ervaring, wat nieuwe inzichten op te doen die me zouden toelaten om met herwonnen frisheid en motivatie full speed die nieuwe richting uit te stuwen en niet met de tong op de schoenen en gebogen rug het nieuw bepaalde eindpunt te halen. Inclusief een crisisproject, 6 weken stage als nieuweling mét een verslag over je 'eerste werkervaring', presentaties in andere talen, een projectpaper over veranderingsmanagement en een masterthesis over medische communicatie, overgoten met blood, sweat & tears. Dat deze vernieuwingsprocedure als kracht van verandering zou dienen om spoedig weer aan de slag te kunnen was echter buiten sommige elementen van het recruteerderscordon gerekend.

Toegegeven, het ging tot nu toe al vrij vlot om tot een gesprek te komen. Uit reacties bij sommige sollicitatiestonden bleek dat echter eerder uit verwondering en nieuwsgierigheid omdat mijn geboortejaar duidelijk niet correleerde met de datum van mijn laatste diploma. Mijn eerste gesprek in een niet nader genoemd ziekenhuisnetwerk in een grote stad, voor een functie die goed aansloot bij eerdere ervaring met stakeholders in combinatie met de nieuwe studie, en bovendien door een kennis met kennis terzake aangewezen als 'typisch iets voor mij' kwam met moeite tot stand.

Eerst werd ik opgebeld door de recruteerder in kwestie, nadat ik een uitgebreid cv met een duidende begeleidingsbrief had verstuurd om één en ander uit te klaren. "Glimlach aan de telefoon, dat hoor je" is zo'n boutade die wel eens in een telefooncursus werd gegeven - iets dat ik me nog herinner uit een vorig leven, toen dat soort beleefdheid nog werd aangeleerd. Welaan, ook een snerende grimlach of smalend gemeesmuil hoor je, want dat weerklonk aan de andere kant van de lijn, alsof niet ik, maar het recruteermeisje al 21 jaar ervaring achter de kiezen had en hier nu eens de lakens zou uitdelen. "Ah, ge zijt dus al altijd sèkretarès geweest", met een toon alsof het idee evenveel walging teweegbracht als een dode hond die al twee weken langs de kant van de weg ligt, gevolgd door "en nu hebt ge dus een diploma". (Ja, mijn tweede masterdiploma en derde diploma in totaal, om correct te zijn, maar daar zou ik nu even niet op ingaan.) Als een terechtgewezen prutser sputterde ik tegen en probeerde ik uit te leggen dat de voorbije 21 jaar die vlag de spreekwoordelijke lading niet altijd had gedekt en het in essentie wel heel wat meer om het lijf had gehad en kreeg dan toch een toegeeflijk en betuttelend "allez, kom dan maar eens op gesprek", maar het was eigenlijk duidelijk dat het kalf daar en dan al verdronken was. Ik durf wedden dat de kleuter die de eerste drie maand van het jaar zijn juf het bloed van onder de nagels heeft gehaald door Sinterklaas met meer warmte wordt toegesproken dan ik op dat moment.

Bij ontmoeting op de dag van het gesprek bleek de damsel zowat tot aan mijn oksels te komen (wellicht ook figuurlijk). Het kleine-mansyndroom dus... (21 jaar ervaring, weet u). In tegenstelling tot de al dan niet ingestudeerde kleinerende houding aan de telefoon bleek ze nu, terwijl ik boven haar uittorende, enkele tonen lager te zingen en zat met grote ogen te luisteren terwijl ik rustig en toonvast mijn ervaring uit de doeken deed, vastbesloten om me dit keer niet uit mijn lood te laten slaan door iemand die zich geen enkele voorstelling kon maken bij wat ik allemaal te vertellen had. Ze was voor de gelegenheid vergezeld van de chef van de dienst, die me constant van top tot teen zat te bekijken, alsof ik geen deftige jurk en hakken droeg maar halfnaakt naar het gesprek was getogen. Of - godbetert - met een T-shirt van de Sex Pistols dat onmiddellijke algehele anarchie bepleitte.

Het formele sollicitatiegesprek werd halverwege onderbroken door de Jos (of was het Lowie) die ongedwongen het kantoor binnenstoof en in onvervalst plat dialect meteen zijn besognes uit de doeken deed, wat de chef bovendien belangrijk genoeg vond om het interview dan ook meteen voor een tijd te verlaten en mij aan mijn lot en de glazig in de verte starende blik van de recruteerder over te laten. Ik zag het kind toen al met het badwater bij het verdronken kalf liggen. Ik ondernam nog wat pogingen om, bevrijd van de keurende/blikken-chef, de recruteerder van de relevantie van mijn ervaring te overtuigen, maar het voelde aan als crawl in een ballenbad en zowel de moed als de verdere interesse voor de job zaten toen al ter hoogte van mijn hakken.

Op een moment dat de job alweer uit mijn gedachten was en ik in de Languedoc aan een welverdiende pastis zat, kreeg ik op de koop toe nog een e-mail van de recruteerder die, bij wijze van welgemikte natrap, mij een boodschap meegaf die erop neerkwam dat ik maar terug moest gaan doen wat ik ervoor al zolang had gedaan, ofte 'schoenmaker blijf bij uw leest'. Niet dat zij deed waarvoor ze gestudeerd had - maar dan zonder ervaring, wat ik overigens nooit publiekelijk in vraag stel bij recruteerders - maar uit de kortzichtige boodschap bleek dat haar filosofie was dat je op een bepaalde leeftijd maar niet al te gek meer moet doen en beter in je stoel bij het vuur blijft zitten.

Een vrouw ging studeren
om nieuw werk te proberen
een diploma en al
maar wat wou het geval?

Vrouwen na 40… die moet je negeren.