Wednesday, 2 November 2011

Walking with a ghost

Voor wie eind oktober al stilaan begint uit te kijken naar de aanstormende kerst, en daarbij Sint Maarten en Sinterklaas spijkerhard uit de weg duwt, is er tegenwoordig nog een ander heidens feest, tot menig volksvermaak. Enkele jaren geleden nog beperkt tot de sporadische pompoen aan één of andere voordeur, lijkt “All Hallows Eve” nu ook volledig uitgegroeid tot een najaarsalternatief voor vastenavond, met alle Keltische en heidense rituelen die daarbij horen, zoals zich verkleden en het huis optuigen met allerlei prullaria. Of hoe mensen toch altijd manieren zoeken om de dood uit hun leven te verjagen (en daarvoor handenvol geld uit te geven waardoor de Chinese economie nog beter gaat draaien).


In de aanloop naar 1 november leken de activiteiten van de voorbije week in dezelfde sfeer van voornamelijk dode mensen te verlopen. Op woensdagavond hadden we de zowat laatste tickets bemachtigd om Tom Lanoye in de Stadsschouwburg van Leuven zijn persoonlijke versie te zien geven van “Sprakeloos”, maar dan wel op de planken. Het boek was op zich al een pageturner – toch voor wie voorbij de eerste 200 bladzijden over zijn persoonlijke writer’s block geraakte – maar de vertolking van het verhaal als monoloog op de planken door de auteur zelf is al evenzeer de moeite, en maakte het publiek bijzonder stil. Op die ene dame na dan, die haar hoestbuien niet onder controle kreeg, wat Lanoye – die zei wat wij allemaal dachten – uiteindelijk toch de opmerking ontlokte dat ze van geluk mocht spreken dat hij Jan Decleir niet was. Lanoye probeert als een volleerd acteur de grote lijnen van het verhaal over de aftakeling van zijn moeder over te brengen, inclusief grappige wendingen en personages, zodat het toch niet te zwaar op de hand is, en ook voor de toeschouwers die het boek vooraf niet hadden gelezen, goed te volgen. De hele zaal zat stilletjes te luisteren, en het verhaal vloog aan ons voorbij. Dat we net gingen kijken op een moment waarop er veel verkoudheden heersten, en de zaal dus door veel gekuch werd geplaagd, en daarenboven de laatste stoeltjes in de engelenbak van de schouwburg hadden, die bij de minste beweging vervaarlijk gingen kraken zodat alle hoofden in je richting werden gedraaid (zeg, en dat kuchende mens dan?), en Tom Lanoye nog petieteriger leek dan hij in werkelijkheid al is, werd dan weer een beetje goedgemaakt door de sponsoring van De Koninck (of liever, sinds vorig jaar onze plaatselijke brouwerij Moortgat), van een gratis bolleke Koninck voor elke toeschouwer tijdens de pauze. Het gebrek aan logistieke coördinatie zorgde er echter voor dat de ware toeloop op de bollekes begrijpelijkerwijze ongecontroleerd en chaotisch was, waardoor iedereen het bemachtigde vocht in sneltempo door z’n keelgat diende te persen toen we werden gesommeerd voor het vervolg van het stuk, maar daar kon Tom Lanoye natuurlijk niks aan doen...

Zaterdag ging het theatrale feest verder; in de eigen Kollebloem speelde de langverwachte voorstelling van “Achter de wolken”, met de éminences grises van het Vlaamse theater en de televisie Chris Lomme en Jo De Meyere. Beide acteurs, die niet zo lang geleden persoonlijk ook afscheid hadden moeten nemen van hun levenspartner, waren perfect op elkaar ingespeeld in dit stuk over verlangen, afscheid nemen, en missen. Hoewel de eerste perscommentaren deden uitschijnen dat het een ernstig stuk was, waarin de twee acteurs bovendien naast elkaar speelden en elk hun eigen ding deden, bleek het in werkelijkheid een al even boeiend verhaal als dat van Tom Lanoye, dat de zaal eveneens deed verstommen. Het samenspel van de twee theatergrootheden liep integendeel perfect gesmeerd, had verschillende grappige aspecten, en deed het publiek zodanig verstommen dat het amper durfde ademhalen en na afloop niet goed wist of het wel mocht applaudisseren om de stilte niet te doorbreken. De hoofdpersonages kregen alsnog een lang en deugddoend applaus. Wie het zelf wil meemaken zal zich al naar ergens in West-Vlaanderen of het verre Limburg moeten reppen. (Of naar Leuven, maar vergeet dan geen smeerolie voor de stoeltjes in de engelenbak.)

De laatste maandag van oktober is traditioneel de dag van de Willebroekse jaarmarkt, en laat dat nu toevallig dit jaar samenvallen met Halloween: overdag was het al erg, maar tegen de tijd dat we ’s avonds naar het jaarlijkse vuurwerk gingen, waren sommige figuren al voorzien van het allerlelijkste mombakkes, al dan niet mits zelf de brouwerij Moortgat te sponsoren in menig plaatselijk herberg. Gelukkig was het door de tijdsverandering vroeger donker, en werd onze aandacht volledig opgeslorpt door het prachtige, halfuur durende vuurwerk. (De Willebroekse belastingbetaler weet in ieder geval wél waar zijn belastingen naartoe gaan.)

Voor wie overigens niet genoeg kan krijgen van feesten met doden en spelen met lucifers, is er nu zaterdag, zoals elk jaar op 5 november, Guy Fawkes Day en Bonfire Night, dat totnogtoe vooral in Groot-Brittannië wordt gevierd. Maar de Chinezen zitten ongetwijfeld al te broeden op nieuwe prullaria om ons onze laatste euro's afhandig te maken...

Tuesday, 25 October 2011

Killing me softly

De herfst is nog maar goed begonnen, of het is al van dattum: sinds vorige week zitten neus en oren om de beurt dicht. Je snuit je neus, die aanvoelt alsof je een hele dag lijm hebt gesnoven, ook al komt er niks tevoorschijn dan een vaag straaltje water en schuurt het papieren zakdoekje zo vaak langs je neusgaten, dat je er begint uit te zien als een half-verzopen Roodneuszalm. Op het moment dat je blaast, bedenk je dat je dat niet had moeten doen, want het snot verplaatst zich op dat ogenblik trompetgewijs richting oren, of het voelt althans toch zo aan, waarop je beurtelings geeuw- en blaasbewegingen moet maken met toegeknepen neus, waardoor je eruitziet als een wanhopige vis op het droge. Of gewoon als een idioot met een tic nerveux. Na enkele dagen blijkt het hele zootje zich dan neerwaarts te verplaatsen, waardoor er ’s ochtends niet veel meer uit je stembanden tevoorschijn komt dan het gekweel van een gekeeld varken, dat na enkele koppen warme thee-met-honing-citroen-rum-enweetikwatnogallemaal  (de raadgevingen van omstaanders zijn legio, maar je krijgt er gewoonlijk alleen een overladen maag van) enigszins “verbetert” en vervangen wordt door het gekrijs van een heks die over haar toeren is. (Tegen dan ben ik gewoonlijk ook al over mijn toeren.) Uiteraard komt er een hele batterij chemicaliën aan te pas, al was het maar om de toestand enigszins te verlichten, want voor volledige genezing moet je toch alle ongemakken uitzitten en uitzweten.

Gelukkig is dit euvel een natuurlijk verschijnsel en bovendien van voorbijgaande aard, wat de mensen met longvliesontsteking die in en om Kapelle-op-den-Bos zijn opgegroeid niet kunnen zeggen. Gisteren is voor onze regio één van de ongetwijfeld meest spraakmakende processen van start gegaan dat werd aangespannen tegen een bedrijf. Vooral spraakmakend in eigen regio, omdat het bewuste Eternitstort waarvan sprake in de rechtszaak bij de generatie van onze ouders onmiddellijk herkenning oproept. Heel wat mensen van die generatie die in de gemeenten langs het kanaal wonen of hebben gewoond, hebben op één of ander ogenblik hun weg wel eens gevonden naar de Eternitgronden, en heel wat van het afval werd weggesleept in deze of gene richting, waarbij de asbesthoudende producten hun weg vonden naar heel wat voor-, achter-, zij-, volkstuintjes, bloembedden, perkjes en veranda’s. Over de esthetische waarden van de producten zijn de meningen verdeeld – een ge- (of stiekem ver)kregen paard kan men moeilijk in de bek kijken – maar de gevolgen kunnen blijkbaar desastreus zijn voor de mensen die aan het asbeststof blootgesteld werden, ongeacht of dat nu heel hun werkend leven lang was, of slechts toevallig en kortstondig. Mensen die 30 jaar geleden bij Eternit werkten, zijn nu in veel gevallen al overleden, en verwacht wordt dat de piek pas de komende 20 jaar zichtbaar zal zijn, als ook de ziekteverschijnselen van alle omwonenden zullen uitbreken, van (toenmalige) kinderen die in en om het stort hebben gespeeld, asbest in hun handen hebben gehad, of misschien zelfs kortstondig vakantiewerk in het bedrijf hebben gedaan.

Maar de politiek-economische kracht van het bedrijf (omwille van werkgelegenheid in de regio) was blijkbaar zo groot, dat er een heuse omerta heerste, tot Eric Jonckheere met zijn verhaal naar het gerecht stapte. En wat bijzonder schrijnend is, zo bleek uit het nieuws van vanmiddag, is dat de burgemeesters van Kapelle en Willebroek, aan de rand van wiens grondgebied zich tot op vandaag nog steeds een beek bevindt die boordevol asbest zit en blijkbaar voor iedereen (dus ook spelende kinderen) vrij toegankelijk is, via de media proberen aan te tonen dat het “niet zeker is dat de beek zich op het grondgebied van de eigen gemeente bevindt”, en het met andere woorden “niet hun probleem is”. Of hoe een bedrijf politici in haar macht kan hebben; uiteraard komt dit hele verhaal ook bijzonder ongelegen met de aankomende gemeenteraadsverkiezingen, en de connecties met het bedrijf zouden wel eens in het gedrang kunnen komen als er kant moet gekozen worden, met de nodige politieke gevolgen.

Hopelijk kent het proces een voor de slachtoffers goede afloop (al is dat uiteraard relatief onder de gegeven omstandigheden). Wellicht iets om rekening mee te houden alvorens er wordt bespaard op de kosten voor de ziekteverzekering in de nieuwe begrotingsronde op federaal niveau.

Wie de nieuwsreportage op TV gemist heeft, kan de reportage van Humo deze week er eens op nalezen. En voor wie twijfelt aan het huidig financieel en economisch belang van asbest (dat volgens diezelfde bronnen "niet meer wordt gebruikt"), kan het artikel van i Watch News eens raadplegen. Toch maar opletten met die droge hoest, daar in de buurt van Kapelle, of Willebroek. De thee met rum zal niet volstaan.

Sunday, 16 October 2011

The answer to everything

Kwissen is een aparte bezigheid, en kwisploegen vormen meestal een vaste kliek waar je maar moeilijk tussenkomt, met hun eigen geplogenheden en gewoontes, specialisaties en kennis. Zo apart en vast dat Bart De Pauw er inspiratie in zag voor een nieuwe soap. Zelf was ik ooit een niet onverdienstelijk kwisser in een semi-vaste kwiskliek die doorgaans de gelegenheidskwissen in het Klein-Brabantse aandeed, soms zelfs met uitzwervingen tot ’s Gravenwezel, Lier of Leuven om deze of gene organisator te plezieren, en met deelnames in de plaatselijke kwiscompetitie – al vergt dit laatste al ettelijke uren studie, op in de verste verte nog niet voor de hand liggende onderwerpen,  in de stijl van “Welke wijn dronk Stradivarius om de verkoop van zijn eerste viool te beklinken?”, wetenswaardigheden die je op een zaterdagavond niet zo onmiddellijk uit je mouw weet te schudden.

Als bij toeval kwam ik afgelopen vrijdag nog eens in zo’n kwisploeg terecht, bestaande uit enkele vriendinnen en voormalige kwisgenoten, die nog een man, of beter vrouw, tekort kwamen om deel te nemen aan de jaarlijkse Dameskwis van Zoektochtenclub Veertienbunders in Blaasveld. Als altijd bij kwisploegen werden de nodige contacten gelegd, e-mails verstuurd, goedkeuringen aangevraagd, alvorens er werd beslist dat bibi per uitzondering mocht aantreden bij “De Dwalende Lichtjes”. Niet dat deze kwisploeg bijzonder hoog scoort – doorgaans eindigen ze op kwissen ergens in de middenmoot, zo werd mij gezegd – maar deze gang van zaken is nu eenmaal typerend voor de ondoorgankelijkheid van het kwisweefsel, zelfs als het meer om de gezelligheid dan de kennis gaat. Ik was blij dat ik nog eens kon gaan kwissen; ettelijke jaren geleden was het bijna tot een indigestie uitgegroeid, met ploeggenoten die de vrijdagen én zaterdagen van één weekend wilden vullen met kwissen, en dat van september tot juni, wat het nog zwaarder en langdradiger maakte dan een doorsnee basketbalseizoen, om dan uiteindelijk regelmatig weer dezelfde antwoorden op dezelfde vragen te moeten geven, en achteraf met een fles wijn, een set keukenhanddoeken of een koffiekop-met-spreuk onder de arm nog verschillende uren na te kaarten en te discussiëren over de (wijze van) antwoorden op de voorbije kwis, niet zelden met vingerwijzingen naar wie bij zijn standpunt was gebleven waar het een verkeerd antwoord betrof, of een verkeerde voornaam had ingevuld waar alleen de achternaam was gevraagd. Juryleden werden op het matje geroepen waar er discussie was over het correcte antwoord; vragen en antwoorden werden minutieus bijgehouden; namen van concurrenten op een zwarte lijst geschreven; de snoodaard door wiens schuld je net op de tweede in plaats van de eerste plaats was terechtgekomen, en dus het artikel met foto in de plaatselijke Passe-partout misliep, werd een week lang scheef bekeken en als het kon op de reservebank geplaatst.

Deze dameskwis bleek een “ladies only” aangelegenheid te zijn, wellicht niet alleen om bovenstaande redenen; de exemplaren van de andere kunne werden enkel ingezet aan de kassa, de toog en de ophaling der antwoordbladen. De kwis verliep goed; onze antwoorden volgden snel op de vraagstelling, of werden, als ze niet snel volgden, toch regelmatig op de valreep nog gevonden door middel van brainstorming in de ploeg (dat overigens beter werkt dan bij een mannenploeg, waar het competitief individueel element van “ik-moet-scoren”, veel meer aanwezig is dan bij vrouwen, en sommigen nog liever hun tong afbijten dan te zeggen dat de andere – zeker indien van het andere geslacht – een goeie prestatie heeft geleverd). De hele omkadering van de kwis was ook erg vrouwelijk; niet alleen thee en frisdranken gingen goed van de hand (de Duvel aan onze tafel buiten beschouwing gelaten), maar ook allerhande snacks vonden hun weg in de zaal om de vrouwelijke kennishormonen op een hoger toerental te laten draaien. Dat de speciaal voorziene flessen cava gretig afname vonden, bleek uit het groeiende aantal decibels en bijhorende giechelstondes, dat steeds meer in crescendo begon te gaan naarmate de avond vorderde, waarbij het gekakel in de laatste reeksen meer dan eens de vraagstelling overstemde. Dat enkele van de vragen hun oorsprong vonden in de Kamasutra of menig artikel uit Flair, Feeling of Libelle, en er bij wijze van demonstratie een “drildo” onder onze neus werd gehouden, droeg daar uiteraard alleen maar toe bij.

Onze gelegenheidsploeg bleek – in tegenstelling tot het gros van de andere ploegen, waar de cava zonder twijfel zijn tol begon te eisen – steeds meer warm te lopen voor de eindspurt. Bij de laatste paar reeksen lieten we een vijftal ploegen achter ons die ons bij aanvang nog de weg versperden, om uiteindelijk op een respectabele derde plaats te stranden op een totaal van zo’n 36 ploegen. Gewoontes sterven uiteraard nooit uit, en er werd nog een vervolg gebreid aan de avond in een café aan het Willebroekse “pleintje”, doch zonder vingerwijzingen of oeverloze herhalingen van de vragen uit de reeks. Het bleek uiteindelijk voor iedereen een win-win-situatie: de ploeg was blij met mijn inbreng, en ik was blij dat ik nog eens had kunnen kwissen. De banden waren weer aangehaald, de contacten gelegd, de plannen gesmeed, en als het goed meezit zal mij in de nabije toekomst nog wel eens een keer om antwoorden worden gevraagd door De Dwalende Lichtjes, of een andere kwisploeg.